Ken je dat? Dat je keel dichtknijpt en je denkt: nu even niet. Dat je ogen volschieten en je besluit ze weg te slikken. Gisteren gebeurde het niet. Ik zat met mijn man voor de televisie en keek naar de 1000 meter schaatsen. Femke Kok had een ongelooflijke tijd neergezet. Iedereen dacht: dit wordt goud. En toen kwam Jutta Leerdam. Onder druk. Met alles wat er speelt. En zij reed eroverheen. Ik huilde. Van geluk. En ik bleef zitten. Mijn tranen waren tranen van blijdschap.

En juist dáár heb ik me lang voor geschaamd. Voor geraakt zijn.
Door iets moois.
En door verdriet.
Dus verstopte ik ze. Niet omdat ze te pijnlijk waren, maar omdat ze te open waren. Even naar de keuken. Even slikken. Terugkomen met droge wangen.

Wat mij daarna misschien nog wel het meest raakte, was het moment ná de race. Twee vrouwen die elkaar aankijken. Elkaar feliciteren. Liefdevol. Met respect. Geen vergelijking meer. Geen strijd. Alleen erkenning.

In mijn werk hoor ik ook verhalen waar schaamte diep verweven zit. Schaamte over emoties. Over reacties. Over wat iemand voelt, denkt of heeft meegemaakt. Schaamte maakt dat mensen zich inhouden. Zich aanpassen. Stil worden. Alsof verbergen veiliger is dan laten zien wat er werkelijk speelt.
Schaamte maakt klein. Niet omdat de ervaring klein is, maar omdat iemand zichzelf erin terugtrekt.

En toch zie ik steeds weer wat er gebeurt als iets wat lang verborgen is voorzichtig wordt uitgesproken. Er ontstaat ruimte. Adem. Bevrijding. Niet omdat het opgelost is, maar omdat het niet meer alleen gedragen hoeft te worden.

Tranen zijn geen teken dat er iets mis is. Ze laten zien dat iets ertoe doet.
Wat ik gisteren zag bij die twee topsporters zie ik ook in mijn werk. Op het moment dat oordeel wegvalt en er erkenning komt, verandert er iets. In het lijf. In het contact. In hoe iemand zichzelf ervaart. Misschien begint groei niet bij sterker worden, maar bij stoppen met verstoppen.

En jij?
Wat verstop jij nog?
En voor wie eigenlijk?